De bodemdrang van Arno Adams

27 februari 2014

Er schuilt veel schoonheid in zelfdestructie. Bandeloze zuipers, mateloze blowers en dwangmatige gokkers zijn onsterfelijk. De kunst heeft ze nodig, die schaamteloze slempers en tragische misfits. Maar lang niet iedere loser is stof voor een boek of film. Enkel wanneer een bijzonder talent door de ondeugden heen schijnt, heeft zelfvernietigingsdrang een artistieke zeggingskracht. Als Ernest Hemingway of Charles Bukowski alleen maar hadden gezopen, waren hun namen nu onbeduidend geweest.

Vorige week donderdag zond Nederland 2 de documentaire Belfeld Blues uit. De film van Hans Heijnen over de Limburgse treurzanger Arno Adams lijkt een lofzang op de schoonheid van zelfdestructie. Het is hoe dan ook een meesterlijk portret van een zanger met bodemdrang. Uitgesponnen levensnood, maar wel van een man die zwelgt in zijn spleen. Weltschmerz als inspiratiebron, Belfeld als refugium. Het kan een mens tegenzitten. Verslaafd zijn is één, ziekte een ander. Adams is aan de alcohol, kampt met een gokverslaving en kan niet van de joints afblijven. Na een hartinfarct moest er nog een kwaadaardige tumor uit zijn hoofd worden verwijderd. Toch zwicht de zanger niet voor kwaal noch voor alcohol of drugs. Hardleers maar met een goed hart.

Of Arno Adams als bijna zestiger alsnog landelijk doorbreekt valt niet te verwachten, maar de aangesneden thematiek van een dolende, zoekende en vluchtende man die in zijn muziek zijn leven blijft afstruinen zonder ooit iets anders te vinden dan de zwartgallige constatering dat zijn glas voor meer dan de helft leeg is, spreekt tot de verbeelding. Verdrietig, zij het niet levensmoe. Belfeld, onder de rook van Venlo, vormt zijn decor met een prominente rol voor de Maas. Hans Heijnen vangt Adams in zijn natuurlijke habitat. Op momenten dat hij zijn vaderlijke plicht nakomt. Of bij het graf van zijn ouders bladeren verwijderend en bij het opnemen van een lied. De camera registreert. Geen duiding, gelukkig. Wel voelbare compassie met een sympathieke man met een onmiskenbaar talent.

Belfeld Blues is even beklemmend als louterend. Je ziet een vent die probeert zin te geven aan een zinloze wereld. Dat is aandoenlijk. Arno Adams neemt je voor hem in. Valkuilen ontwijkend of er weer in donderend, je krijgt het allemaal te zien. De zanger is gevoelig, beslist geen poseur. Tranen komen snel, bijvoorbeeld als hij spreekt over wijlen zijn zachtaardige vader of de drankzucht van zijn moeder. Zelfs zijn eigen liedjes, gezongen met een aparte bronskleurige stem, blijken af en toe te emotioneel voor hem. Zijn breekbaarheid geeft hem glans. Het leven drukt zichtbaar zwaar op zijn schouders, doch dood wil hij niet. Maar Adams is al lang geleden een doodlopende straat ingeslagen met een opdoemende hoge muur aan het eind.

Valt er dan helemaal niets aan te merken op Belfeld Blues? De titel van de documentaire, hoe mooi allitererend ook, is eigenlijk het enige dat niet klopt. In blues zit het levensprobleem én de oplossing, al moet je die oplossing nog wel zelf zoeken. Bij Arno Adams krijg je alleen zijn misère voorgeschoteld. Eerder een chansonnier of een vertelzanger, maar beslist geen bluesman. De blues gaat over verlangen, Adams’ muziek over het zijn. En dat zijn, laat dat nou net het lastigste wezen in dit leven. De fles is inmiddels ruim driekwart leeg. De bodemdrang roept. Wat is zelfdestructie toch mooi als het niet jezelf betreft.