Slingerend tussen recht en rond: op Northsea Jazz 2008
Henning Bolte ©

Northsea Jazzfestival 2008, de derde Rotterdamse editie. 200 concerten, 70 000 bezoekers, een organisatorische en logistieke topprestatie. De stad biedt een prachtig beeld. Qua concerten wel, qua ontvangst in het centrum absoluut niet. Het is een nog grotere ongezellige, hinderlijke rommel dan voorgaande jaren. Een soort tweede natuur lijkt het wel geworden. Weer, sfeer en geluid zijn goed, het aanbod breed, gevarieerd, uitdagend en avontuurlijk. Vooruit ! Wat was er te zien en te horen ?

Routes en persoonlijke highlights Bij een festival met zo’n omvangrijk aanbod als het Northsea is het steeds weer spannend hoe de persoonlijk uitgestippelde lijn uitwerkt, wat ervan onder concrete omstandigheden terechtkomt, welke indruk het maakt en wat het aan herinneringen achterlaat. Dit jaar zijn de blijvende indrukken van twee dagen, vrijdag en zondag, de kwartetten van Charles Lloyd, Gary Burton en Kenny Wheeler alsmede Mark Helias’ trio Open Loose met Ellery Eskelin en Tom Rainey. Als je het eveneens omvangrijke Roundtown-programma er bij betrekt, komt er nog Manu Katché’s kwintet bij die op donderdagavond in het bedreigde Lantaren/ Venster* speelde. Het was dit jaar een stuk lastiger een mooie verzameling te creëren aangezien (te) veel artiesten parallel in één timeslot geprogrammeerd waren zoals bijvoor- beeld op vrijdagavond Charles Lloyd, Paul Bley, Cassandra Wilson en Butch Morris !

Paul McCandless van de legendarische groep Oregon begroette het publiek in de laatste ronde op zondagavond na het tweede stuk met een vriendelijk “Hello ! And goodbye ! We are on Northsea” daarmee enerzijds inspelend op de voor het Northsea Festival typische stroom van voortdurend aankomend en vertrekkend publiek en anderzijds refererend aan het feit dat de veertig jaar geleden opgerichte groep haar Northsea-debut beleefde. Gelukkig is het goed mogelijk zelfs meer dan één concert in één zaal te blijven zitten omdat er één stroom van interessante, boeiende muziek te beleven is zoals bijvoorbeeld in de HUDSON, één van de vier grote zalen. Hier opende het eerste klas bezette, achttienkoppig orkest van Maria Schneider het programma met gepaste grandeur. In lange lijnen zwolg het orkest weelderig in afwisselend zachte en uitbundige toonkleuren. Een indrukwekkende reeks solisten passeerde de revue waarvan accordeonist Toninho Feragutti mij het meeste bijgebleven is. Dit orkest heeft na vijftien jaar een dergelijke dynamische perfectie bereikt dat het tijd lijkt naar nieuwe terreinen door te stoten. Dat deed vervolgens het hechte jonge kwartet van de oude meester Charles Lloyd op buitengewoon energieke, dynamische en subtiele manier. Inzettend met een fraai omspeelde calypso maakte Lloyd meteen duidelijk waar hij vandaan komt en waar het op stond. De groep met pianist Jason Moran, bassist Reuben Rogers en drummer Eric Harland wekte een energieveld op waarin de musici in alle kleuren en temperaturen straalden, solo’s en ensemblespel in elkaar overvloeiden. Of het nou een ballad is als het bekende Requiem, het hypnotiserende The Caravan Moves On met Lloyd op de tarogato, een Roemeense klarinet, of om het tedere Booker’s Lament op altfluit (opgedragen aan Lloyd’s schoolmaatje Booker Little uit hun gemeenschappelijke jeugd in Memphis), het is een ware lust hoe de groep fraaie texturen weeft en iedere speler daarbij boven zichzelf uitstijgt. Optredens als deze van oude meesters geven de zaal uitstraling en allure – net zoals bijvoorbeeld vorig jaar bij het optreden van het Randy Weston Trio. Dat moet gekoesterd worden !

Stuwingen Na twee dergelijke concerten raakt de klankkakofonie buiten de zaal op de achtergrond en je verlangt naar een plek waar je het gehoorde nog door kunt laten werken. Inmiddels hebben zich op zo’n avond in Ahoy qua publiek niet alleen hoofd- en zijstromen gevormd maar ook stuwdammen, cataracten en poelen. Met en tegen deze stromen in beland ik midden in een concert waar ik niet echt meer in kan komen, het optreden van de groep van gitarist Adam Rogers, later op de avond de winner van de Paul-Acket-Award. Hij probeert er nu eerst in de vrij onmogelijke Murray-tent nog iets van re maken. Als toeschouwer heb je balken voor je ogen maar het meest hinderlijk is het geluidsgeweld van omliggende podia dat elkaar steeds wederzijds dreigt te verdrinken. Dat speelt helaas niet alleen op deze plek ! De presentator in de Hudson maakt het wat dat betreft het bontst door te vertellen hoe hard aan het probleem is gewerkt en vervolgens trots te verkondigen dat het nu fantastisch is verholpen. Waarop harde trompetstoten en basgeweld van omliggende zalen de na deze vermelding opkomende artiest bijna van het podium blazen. Dat noem je op de vinger slaan in plaats van de spijker op de kop ! Zolang je op zo’n oppervlak zo veel concerten laat plaatsvinden, zal er geen echte oplossing mogelijk zijn. Het publiek pikt het inmiddels niet zomaar meer, getuige de reacties uit de zaal. Zelfs tieners vonden het geluid in de Maas bij Zappa en Gnarls Barkley te hard/niet goed. Na de Murray-uitstap blijken de toegangswegen terug naar de Hudson helemaal dichtgeslipt. Geen Hancock, uitwijken naar een vrijere route dus. Ter afsluiting van de eerste dag naar Madeira. Het optreden van Abdullah Ibrahim heeft een hermetische, bijna ongeïnteresseerde uitstraling. De mate van willekeur in de keuze van tooncombinaties, stukken en interacties is erg hoog. Het spel is spanningsloos en wars van dynamiek. Raadselachtig ? Nee ! Een celebratie waarvan ? Anti-jazz ? Uiteraard kun je er weer een hoop in projecteren en interpreteren. Mij wilde dat niet lukken ! Er was weinig over van de Abdullah die je kon raken. Het schijnt dat hij al een tijdje op deze manier met veel aplomb langs festivals en concertzalen trekt.

(O)verslaan De tweede dag ben ik voor een mooi concert naar Amsterdam uitgeweken. In het BIMhuis spelen Joe Lovano, Dave Liebman en Ravi Coltrane met Phil Markovitz, Cecil McBee en Billy Hart. Meer concert, minder keuze. Een goede afwisseling. Er is in de randstad heel wat te doen op jazzgebied zo te zien. Het Northsea Jazzfestival lokt een grote massa mensen naar “jazz” maar het mag betwijfeld worden dat zich daardoor in de rest van het jaar meer mensen actief voor jazz en geïmproviseerde muziek interesseren. Het schijnt wel zo te zijn dat de generatie-schaduw wat jazz betreft voor de jongste generatie niet meer hinderlijk werkt. Het is niet meer besmet. Voor deze generatie valt er weer wat te ontdekken !

Op Northseajazz speelde ondertussen Wayne Shorter. Volgens betrouwbare bronnen speelde hij in aanwezigheid van veel prominente festival-musici onder het publiek cryptischer dan ooit. Zo geeft hij ook zijn medemusici constant raadsels op die hun scherp houden. Blijkbaar werkte het zo. Artist in residence Bobby McFerrin gaf na verluid een hot concert met Richard Bona en de kortstondig ingevallen Cyro Baptista maar misschien was het ook andersom. Unaniem waren de stemmen over het concert van Lizz Wright: indrukwekkend !

Verrassingen De derde dag begon met een zeer vitaal, krachtig spelend Gary Burton Quartet in bijna originele bezetting met Pat Metheny, Steve Swallow en Antonio Sanchez. Burton speelde ongemeen pittig en Metheny pakte tegen het eind zijn kleinste gitaar en speelde de blues direct in de voetsporen van Muddy Waters en Howlin’ Wolf. Een geruststellende verrassing dit concert. In dubbel opzicht verrassend was ook het Kenny Wheeler Quartet dat bij de CAM-jazz labelavond in de Madeira optrad. De verrassing was enerzijds de ongewone bezetting van het kwartet met twee akoestische gitaristen, bas en trompet en anderzijds het fraaie geluid van zowel Wheeler als de groep. Wheeler maakt al langer fysiek en broze indruk maar hij heeft ook zittend nog volledig greep op zijn diep rakend geluid (het heeft vanouds een zeldzame broosheid) en zet dit nu nog selectiever in. CAM is een Italiaans label dat met filmmuziek groot is geworden maar ook een omvangrijke en kwalitatief hoogstaande jazzcataloog met grote namen uit de Italiaanse en internationale scène heeft. Deze label-avond werd afgesloten met het eerste Northseajazz-optreden van de legendarische Amerikaanse groep Oregon. Het concert begon met grote vertraging en de groep lag behoorlijk in de clinch met de apparatuur. Rietblazer Paul McCandless is een gentleman en speelt nog steeds fantastisch sopraansaxofoon. Hij was de enige van de groep die een beetje publieksgericht optrad. Ralph Towner en Mark Walker speelden goed en effectief terwijl bassist Glen Moore tot het eind met de apparatuur in de weer bleef. Het wilde niet echt van de grond komen, de magie ontbrak.

Dieptepunt Dieptepunt was het zondaagse optreden van Artist in Residence Bobby McFerrin. Zowel voor mensen die hem kennen als voor jonge mensen die nieuwsgierig kwamen kijken en daarvoor extra entree hadden betaald, was het een teleurstelling. Op z’n zachtst gezegd want in feite was het ronduit gênant wat hij te berde bracht. Gitarist Ferenc Snetberger ging er waardig mee om en liet daardoor nog een goede indruk achter. Welk gevoel moet je krijgen je als je voor 6 minuten twee overbekende Braziliaanse wijsjes begeleiden aangereisd bent ?. Bij zijn inleidende monotone solo’s herhaalde McFerrin zich eindeloos, deed geen enkele moeite iets te ontwikkelen wat spanning had. Hetzelfde geldt ook voor de human-beat-box-act met de beat-boxers van Naturally 7: standard, afgezaagd, geen spoor van verrassing of spanning. In zijn duetten met solliciterende vrouwelijke zangtalenten uit de zaal speelde hij vooral op safe en goedkoop zijn superioriteit uit. Tijd om de zaal te ontvluchten. Hier valt niets meer aan te verdedigen (wat ik al te graag gedaan had!).

Bijhangend vocaal lab The Art of Voice heette op zondag een stroom die in een klein zaaltje (Volga) ver weg van de andere concerten (tenminste geen interfererende geluiden van andere zalen !) met vijf korte optredens geprogrammeerd was. Dit waarschijnlijk omdat de stem tot thema van het festival was uitgeroepen. Er traden wel een aantal interessante artiesten van naam op maar het hing er maar een beetje erg los bij. Optredens werden afgewerkt, er ontstond geen sfeer (de inrichting van de zaal liet dat al niet toe).

Contouren

Weer, sfeer en geluid waren goed, het aanbod breed, gevarieerd, uitdagend en avontuurlijk ?
De temperatuur was koeler dan vorig jaar (niets aan te doen). Het geluid blijft een probleem (gelukkig niet in alle zalen).. Het aanbod was breed en gevarieerd maar niet uitdagend of avontuurlijk. Dat kan misschien ook niet of men wil het ook niet. Waar wel iets aan gedaan kan worden: contouren en presentatie, iets wat de sfeer ten goede komt. Er zijn een paar kleine aanzetten in het Ahoy-complex die gerust uitgebreid mogen worden. Muziek in hallen en rechthoekige multifunctionele ruimten is qua sfeer voor veel muziek nou niet bepaald het meest bevorderlijk, aantrekkelijk,wenselijk. Ook de locaties zelf zouden meer sfeerbepalend contour kunnen krijgen hetgeen bij de presentatoren begint (sommigen slagen er al een beetje in). Diaprojecties verdekken de kaalheid maar scheppen nog geen echte sfeer. Wat de muzikale contouren betreft: nu is er van alles en nog wat voor ieder wat wils. Daar is iets voor te zeggen. Toch zou men iets meer durf kunnen tonen en minder in slots en rechte lijnen kunnen denken maar meer in eilanden, diepten en passagen. Er zaten ook dit jaar mooie en zelfs verrassende dingen maar het geheel maakte een iets (te) vlakke indruk. Dat moet niet doorzetten.


• Podium Lantaren/Venster dat zich de laatste jaren tot een podium voor jazz en geïmproviseerde muziek met een duidelijk contour nationaal en internationaal heeft ontwikkeld, dreigt te verdwijnen als de Rotterdamse wethouder niet bijstuurt. In een wereldstad met het grootste indoor-jazzfestival ter wereld dient de jazz een zicht- en voelbare eigen plek zoals Lantaren/Venster te hebben en niet zwervend over allerlei locaties verspreid te worden !

Meer recensies