Op het terras

18 mei 2017

“Nee, nee, we gaan er even uit”, zegt de Zanger als ik me wil laten neerzijgen op een houten bank in de zon voor de hoofdingang. Hij geeft me een arm. “Kom, jongen.” En zo slof ik met hem naar een terras op een steenworp afstand van het hospitaal. We nemen koffie, hij zwart, ik cappuccino, allebei appelgebak met slagroom. Lekker. Auto’s, bussen, fietsers, voetgangers. Ik zie het voor het eerst in bijna een week en denk: de wereld draait door. We praten, nou ja, praten, ik loop leeg. Onderwijl rookt de Zanger shagjes. Hij bestelt een rosé, ik een water met citroen. Het betrekt een beetje, er steekt een windje op. “Straks vat je nog kou,” zegt de Zanger en hijst me in zijn overjas. Uit zijn colbert haalt hij een pakje filtersigaretten en een aansteker. “Hier, voor jou.” Ik rook er eentje. Lekker. De Zanger schuift het wijnglas in mijn richting. “Neem een slokje, jongen.” Vooruit, één nipje dan. Lekker. De Zanger vraagt om een bruine tosti zonder ham, die ik voor de helft zal oppeuzelen. Lekker. Na zo’n anderhalf uur is het tijd om op te breken. Er wacht vanavond een optreden. Vanuit de kleedkamer mailt hij me via zijn smartphone een nieuw liedje, De Droom Van Sint Franciscus, “een wrang lenteliedje”. Mooi, hoor. Even over vieren in de doodstille nacht lig ik alweer klaarwakker. Ik klap de laptop open, zet de koptelefoon op en klik het bestand nog eens aan. Een omarming van het lot, een verzoening met het lot, fluisterzingt de Zanger. Je mist iets, maar je weet niet wat. En dat is maar goed ook.