Tim O'Brien eert West Virginia

10 maart 2017

Tim O’Brien, singer-songwriter, producer maar vooral multi-instrumentalist en veelgevraagd sessiemuzikant, brengt net met Where The River Meets The Road zijn vijftiende soloalbum uit. Alle liedjes op Where The River Meets The Road gaan over thuisstaat West Virginia. Voor de twee eigen composities Guardian Angel en Where The River Meets The Road putte hij uit de familiegeschiedenis; de dood van een oudere zus en het verhaal van zijn Ierse overgrootvader die zich midden negentiende eeuw vestigde in Wheeling, West Virginia, waar de spoorlijn die vanaf Baltimore naar het westen trok op de Ohio-rivier stuitte. Met de overige nummers eert O’Brien artiesten als Bill Withers, Hazel Dickens en Billy Edd Wheeler, allen afkomstig uit West Virginia, evenals de bluegrass- en countrycoryfeeën die aan het album meewerkten, Chris Stapleton, Kathy Mattea, Stuart Duncan en Noam Pikelny.

De Amerikaanse volksmuziek heeft veel te danken aan Europese immigranten, waarbij vooral Ieren royaal vertegenwoordigd zijn in The Great American Songbook. Tim O’Brien (61) is exponent van die traditie. Als zanger, liedjesschrijver, instrumentalist en producer bouwt hij aan een omvangrijk oeuvre, met het onvolprezen The Crossing uit 1999 als zijn opus magnum. In 2010 sprak Koos Gijsman met hem voor Heaven. Een deel van het interview dat verscheen in het novembernummer van 2010 volgt hieronder.

Kun je iets vertellen over de emigratie van jouw familie naar de Verenigde Staten? “Mijn overgrootvader Thomas O’Brien verliet King’s Court in het graafschap Cavan op 21-jarige leeftijd in 1851. Hij zeilde naar Baltimore, nam de trein en trok vervolgens te voet naar Wheeling, het huidige West Virginia, waar ik overigens ook ben opgegroeid. Hij ontmoette er zijn vrouw Catherine Gillespie, die daar in het katholieke kerkkoor zong. Haar vader, een smid uit The Glebe, Donegal, was waarschijnlijk naar Wheeling getrokken omdat die stad toen het bloeiende centrum voor ijzerwerk was. Mijn grootvader aan de O’Brien-kant trouwde een Duits meisje uit Cincinnati. Haar oom Kleinfelder was kapitein op een rivierboot. Hij wordt genoemd in Life On The Mississippi van Mark Twain. Een mooi verhaal is dat: hij zat in de kappersstoel toen de stoomketel ontplofte, werd in de lucht geslingerd, maar overleefde de ramp. Mijn moeder was uit Custer County, Nebraska. Haar familie kwam van verder naar het oosten: Welsh en Engels en wellicht ook een spoor van indianenbloed.”

Wat waren je eerste muzikale indrukken? “Mijn ouders namen ons voor de lunch geregeld mee naar de  Catholic Women’s League. In de lobby van die cafetaria stond een vleugel, waar mijn zus Mollie en ik kleine liedjes op verzonnen. Omdat we zo zuiver konden zingen, zetten ze ons bij schoolvoorstellingen op de voorste rij. Op mijn kristalradio met koptelefoon luisterde ik ’s avonds in bed in het donker naar Chubby Checker en Perry Como en zo. Mijn ouders hielden erg van bigbandmuziek. Mijn broer zong doo-wop en werd later op school een jazz- en folkfan. Ik heb nog steeds sommige van zijn platen: Peter, Paul & Mary, Miles Davis, Odetta, Joan Baez, Les McCann.”

Wanneer begon je zelf met muziek maken? “Mijn vrienden speelden elektrische gitaar en Mollie zat op pianoles. Ik probeerde ook piano te spelen, maar stopte met lessen omdat ik dingen speelde die niet in de bladmuziek stonden. Op mijn elfde of twaalfde kreeg ik mijn eigen akoestische gitaar. Ik heb nooit meer achterom gekeken. Mijn vader had een banjo en een mandoline en van mijn tante kreeg ik haar oude viool. In het begin rotzooide ik maar wat aan op die instrumenten, maar vanaf mijn negentiende ging ik me er echt serieus op toeleggen.”

Heb je een bepaalde routine als liedjesschrijver? “Ik sta elk uur van de dag open voor indrukken. Tijdens het touren is het meestal te hectisch om te schrijven, maar ik maak wel aantekeningen. Door het hele huis slingeren notitieboekjes. Die invallen laat ik bezinken en wanneer ik me dan ontspan rollen de liedjes er meestal vanzelf uit. Soms heb ik deadlines: een opnameproject in het vooruitzicht of iemand wil samen met mij schrijven. Dat prikkelt mij om me te concentreren, er tijd voor vrij te maken. Normaal gesproken ben ik lui, de boel moet bij mij wel in gang worden gezet. Wanneer een liedje zich blijft aandienen, dan moet ik dat liedje uiteindelijk ook afmaken. Elke halfjaar luister ik af wat ik heb gemaakt. Tot die tijd denk ik altijd dat ik niet veel heb liggen, en telkens weer kom ik tot de ontdekking dat ik er flink naast zat.”

Waar luister je thuis zelf naar? “Oude veldopnamen, jazz, etnische muziek, nieuwe albums van vrienden, alles van Ry Cooder, blues van Lightnin’ Hopkins en Snooks Eaglin, bluegrass van Bill Monroe en Jimmy Martin, maar ook iemand als Bill Frisell. Verder moet ik luisteren naar muziek die ik wil leren spelen of die ik ga produceren. Ik houd van Ierse doedelzak- en vioolmuziek.”

Tim O’Brien live: dinsdag 25 april in Crossroads, Bergen op Zoom; donderdag 27 april in LantarenVenster, Rotterdam; vrijdag 28 april in Paradiso, Amsterdam; zondag 30 april in TivoliVredenburg, Utrecht; maandag 1 mei in Meneer Frits, Eindhoven.