Een fado van Fernando Lameirinhas

11 maart 2016

Zo’n veertig jaar woont hij inmiddels in Nederland, maar de muzikale carrière van de geboren Portugees bestrijkt een nog wat langere tijdsspanne. “Ik hoop dat ik de afgelopen vijftig jaar iets heb bijgedragen aan de viering van het leven en de bestrijding van de kilheid”, aldus Fernando Lameirinhas (1944) in zijn biografie Een Fado Voor Mijn Vader.

Frank van Herk, die onder meer voor de Volkskrant schreef over jazz en wereldmuziek, heeft het verhaal van Lameirinhas en zijn familie opgetekend. Een verhaal dat begint in het noordoosten van Portugal, vlakbij de grens met Spanje, waar vader Lameirinhas is gestationeerd als douanier en er ook nog een boerderij met levende have op nahoudt. Het gezin bestaat uit een dochter en drie zoons, waarvan Fernando en zijn broer António (Toni) de jongsten zijn. In Portugal is een repressief bewind aan de macht, dat van dictator Salazar. Na een aantal overplaatsingen, gevolgd door ontslag, ontvlucht vader Lameirinhas eind jaren vijftig zijn geboorteland. Waarom wordt uit het boek overigens niet helemaal duidelijk. Sympathie voor het door het heersende regime verfoeide communisme zou een mogelijke reden zijn.

Hoe het ook zij, uiteindelijk wordt het gezin Lameirinhas herenigd in België, in de streek tussen Namen en Charleroi. Daar overlijdt op jonge leeftijd de oudere zus van Fernando en zet deze zijn eerste schreden op het muzikale pad wanneer hij en Toni allebei een gitaar kopen. Samen beginnen ze een bandje, met enig regionaal succes als gevolg. Uiteindelijk vormen de twee het duo Jess & James, dat eind 1967 in België en zelfs daarbuiten een flinke hit scoort met het naar de Stax-sound gemodelleerde Move. Zodoende staan de broers aan de wieg van de Belgische popmuziek, al hebben ze daar wel een leugentje over hun afkomst voor nodig. Wat Fernando bijna een halve eeuw na dato tot de verzuchting brengt dat hij met Jess & James niet zichzelf was en niet deed wat hij diep in zijn hart het liefst wilde doen.

Ondanks grote successen in met name Spanje, houdt het duo dan ook geen stand. En zo belanden de broers Lameirinhas, na de nodige omzwervingen door Europa, op uitnodiging van de groep Sail halverwege de jaren zeventig in Amsterdam. Een plaats die het tweetal, dat zich inmiddels Joia noemt, zo goed bevalt dat ze besluiten om zich er permanent te vestigen: “De stad was een openbaring: vrolijk, gek, carnavalesk, creatief. Alles kon, iedereen werkte met iedereen.” Aldus ontstaat Sail-Joia, een fusiegroep met een ‘mengsel van melodieuze pop, tropische polyritmiek en jazz’, goed voor veel opwindende live-optredens in binnen- en buitenland, een drietal albums en de bijna-hit Amsterdão, “mijn uitbundige ode aan de sfeer in mijn nieuwe leefomgeving”. Het grote succes blijft echter buiten bereik en langzamerhand komt, mede door de verslechterende verhoudingen tussen de muzikanten, de klad in Sail-Joia.

Met zijn onafscheidelijke broer en een wisselend stel muzikanten, vooral uit de jazzhoek, gaat Fernando eerst verder als Fernando’s Ginga om daarna de naam Joia weer van stal te halen. Begin jaren negentig besluit hij, ditmaal onder eigen naam, vooral op zoek te gaan naar zijn Portugese wortels. Die vormen tot op de dag van vandaag de basis voor zijn muzikale activiteiten en samenwerkingen met tal van artiesten, uiteenlopend van Paul de Leeuw tot jazztrompettist Eric Vloeimans en van de popgroep Bløf tot de Senegalese zanger/percussionist Mola Sylla. Frank van Herk schetst aan de hand van het uit Lameirinhas’ mond opgetekende relaas een boeiend, hier en daar zelfs poëtisch beeld van een begenadigd muzikant, componist en tekstdichter, die velen tot inspiratie dient en heeft gediend. Het werd tijd dat zijn verhaal en dat van zijn familie eens werd vastgelegd.

‘Een Fado Voor Mijn Vader’ door Fernando Lameirinhas en Frank van Herk is verschenen bij uitgeverij Meulenhoff.