Op het tweede gehoor: ontsnapt uit de jaren 80

8 maart 2019

De jaren 80 waren muzikaal gezien voor mij een groot zwart gat. Herkenbaar? Vast wel. Weg was immers de intimiteit van de singer-songwriters van begin jaren 70, weg was ook de rebelse energie van de Britse punk en new wave van daarna. In de plaats kregen we onpersoonlijke acts met dikke lagen pathos, synthesizers, kunstmatige galm en knallende drums uit een kastje. Denk Rick Astley, Duran Duran, Ultravox, Orchestral Manoeuvres in the Dark. Geen wonder dat eightiesmuziek op 1 januari 1990 al meteen gedateerd klonk.

Maar op een bepaalde manier paste die muziek wel goed in de tijd. Want de eighties stemden in het algemeen niet vrolijk: er was de dreiging van een kernoorlog, een slecht draaiende economie, en in de politiek begon het neoliberalisme zachtjes maar gestaag aan zijn opmars. De werkloosheid was hoog, met mijn vrienden – net als ik geboren begin jaren 60 – spraken we zo min mogelijk over onze toekomst. Liever hadden we het over muziek. Vooral over die van vroeger.

En de jaren 80 waren niet alleen moeilijk voor popfans. Voor veel artiesten gold datzelfde. Topacts als The Rolling Stones, Joni Mitchell, Stevie Wonder, Led Zeppelin en Paul McCartney zaten met de handen in het haar. Bob Dylan raakte behoorlijk van het padje. Wie zat er nog op hun goeie nummers te wachten, nu slechte muziek zo in de mode leek te zijn?

En toch, ergens in die donkere jaren drong af en toe een lichtstraaltje door. Eerst, in 1985, Suzanne Vega met Marlene On The Wall. De New Yorkse singer-songwriter bewees dat popmuziek zich nog steeds op subtiele wijze kon vernieuwen. Een jaar later ontweek Paul Simon de tijdgeest – en de culturele boycot van Zuid-Afrika - met zijn aanstekelijke album Graceland. En twee jaar later drong het kleinste én krachtigste lichtstraaltje van allemaal de verduisterde kamer binnen: Tracy Chapman met haar klassieker Fast Car.

De jonge zwarte zangeres met de ontwapenende glimlach vertegenwoordigde in haar eentje zo'n beetje alles wat de jaren 80 ontbeerden: onschuld, oprecht engagement, een aan de folk- en gospeltraditie herinnerend stemgeluid. En eindelijk was daar ook weer een gewone, onvervormde akoestische gitaar. Een verademing. Ik en mijn vriendenclub ontvingen Fast Car als een geschenk van boven.

In het kielzog van Chapman volgden tal van (vrouwelijke) singer-songwriters die de geest van de jaren 60 en 70 deden herleven, zoals Nanci Griffith, Sheryl Crow, Jeff Buckley, Elliott Smith. Ook veel van de Groten hervonden hun elan. Bonnie Raitt herpakte zich in 1989 met Nick Of Time. In datzelfde jaar stelde MTV Unplugged het liedje weer centraal, met fijne gevolgen voor onder meer Neil Young, Eric Clapton en Sting - en hun fans. Ook Bob Dylan kwam in 1993 eindelijk uit zijn eighties-depressie, met het volledig akoestische World Gone Wrong.

En het zou me niets verbazen als de kiem van Dylan’s wederopstanding werd gezaaid in 1992, tijdens het concert ter ere van Bobs 30-jarige albumcarrière, waarbij tal van collega-artiesten acte de présence gaven. Want wie stond daar tussen al die coryfeeën? Inderdaad, het was de bescheiden singer-songwriter die een paar jaar eerder de boze jaren 80 vaarwel had gekust met een liedje over een snelle auto waarmee zij en haar geliefde aan de uitzichtloosheid hoopten te ontsnappen.

Chris Bernasco geeft hier eens in de maand zijn bijzondere kijk op popmuziek.